Ontstaan van het Koningskerkje

Koningskerkje Vierlingsbeek in 1865 Voormalige Laurentiuskerk

De katholieke gemeente Vierlingsbeek

De Laurentiuskerk in Vierlingsbeek, waaronder vier oude kapellen vielen – die van Overloon, Holthees, Groeningen en die op kasteel Makken – was al vóór 1300 in de akten bekend, en het patronaat van de H. Laurentius – een van de oudste heiligen in de roomse kerk – doet vermoeden dat op deze plek al een christelijke gemeente bestond van vóór de Maastrichtse tijd van bisschop Lambertus.

Het in bezit nemen van de Laurentiuskerk

De volledig roomse Vierlingsbeekse gemeenschap krijgt in 1611 te maken met haar eerste protestant in de persoon van Hermanus Beventrupfel, die benoemd was als predikant/zendeling voor het Overambt en die tot het jaar 1620 af en aan zieltjes probeerde te winnen. Van de Oranjes kreeg hij de kapel van Groeningen en Vortum toegewezen (dit verklaart later de naam De Hervormde Gemeente of Kerk van Groeningen, Kerkvoogdij van de Nederduits Hervormde Gemeente).

In 1620 kreeg hij de opdracht om in de Nederambt aan de slag te gaan. Hij woonde eerst in Vierlingsbeek en later tijdens zijn bediening in de Nederambt tot 1638 in Cuijk. Na het vertrek van Beventrupfel bleef het bijna 30 jaar rustig in Vierlingsbeek, totdat op 29 november 1648 dominee Petrus Teschenmäcker, die na bekrachtiging van Willem II, prins van Oranje, op 10 november 1648 werd aangesteld, de Laurentiuskerk en de pastorie binnen liep en pastoor Bosman letterlijk buiten zette.

Teschenmäcker, die uit Elbertfelt kwam en die het voor 600 gulden per jaar op zich nam om het nieuwe geloof in Vierlingsbeek en omgeving te preken, bleef – met uitzondering van een tweejarig verblijf in Grave tijdens de Franse bezetting – tot zijn dood op 26 augustus 1686 in Vierlingsbeek. Petrus Teschenmäcker zou 50 jaren zijn ambt bekleden; hij stierf op hoge leeftijd als oudste predikant van het Land van Cuijk, hij werd in de kerk begraven.

Pastoor Willem Reginald Bosman zat ook niet stil, afgescheept met 300 gulden alimentatie, ging naar Venray en bouwde korte tijd later een schuurkerk op de Smakt, net over de Staatse grens. Volgens Schutjes werd rond 1660 eerst nog een klein bedehuis betrokken ter plaatse van het oude Luciakapelletje, waarvan huis en erf nog aan de kerk behoort, voordat men in 1708 onder leiding van pastoor Damasenus van Lovendael een nieuwe schuurkerk en pastorie bouwde midden in het dorp met materialen van de gesloopte noodkerk in de Smakt.

Eind 1665 moest dominee Teschenmäcker vluchten voor het leger van de bisschop van Münster. Om die reden heeft hij een aantekening gemaakt:

“Het is op Kerstdagh niet gecelebreerd worden, maar op Paeschen ende Pincxteren desselven jaars ‘66. Soo Godt die Heer ons wederom den vreede geft ende den Bisschop van Münster tot paise en accord gedwongen wierde, is het H. Avondmal van die geloovige alhier gehouden worden”.

Zeven jaren later in 1672 valt Lodewijk XIV (de Zonnekoning) het zuiden van Nederland binnen. Dominee Teschenmäcker vlucht naar Grave en vindt daar een tijdelijk onderkomen in de woning van Isabella van Tijl. Pastoor Mattheus Arnoldi nam in 1672 vanuit de Smakt de Laurentiuskerk weer in bezit. Twee jaren later klaagt de dominee bij de Gouverneur in Nijmegen dat hij zijn kerk kwijt is en heeft uiteindelijk succes, want de pastoor kreeg bevel om de Laurentiuskerk weer aan de protestanten af te staan.

Zerk van Nanning de Greve Interieur van de voormalige Laurentiuskerk

Op 23 maart 1687 wordt dominee Nanning de Greve bevestigd. Hij huwde in 1690 met Hester Ribbius. De dominee overleed op 20 januari 1709 en werd begraven voor de deur van de Laurentiuskerk. Bij de wederopbouw van de kerk na de tweede wereldoorlog (op 2 oktober 1944 was de Laurentiuskerk met de toren door de zich terugtrekkende Duitse soldaten opgeblazen) is de zerk in de vloer van de protestantse kerk gelegd.

De teruggave van de Laurentiuskerk

Op grond van artikel 6 van de Additionele bepalingen van de Staatsregeling van 1798 moest de Protestantse Gemeente van Vierlingsbeek op 15 juli 1800 de parochiale Laurentiuskerk weer teruggeven aan de rooms–katholieken.

De protestanten werden door deze ontruiming genoodzaakt hun godsdienst in het huis van de Heer Capitain Lieut Schindler van het Zwitsers Regiment Stokkar de Neuform te houden, daar deze naar Boxmeer was vertrokken.

In 1802 vond de protestantse gemeenschap een nieuwe predikant in de persoon van Stephanus Hanewinkel. De dominee genoot enige bekendheid als scribent van zeer antipapistische literatuur. Zijn Reize door de Majorij van ‘s Hertogenbosch in den jaare 1799 was in zijn bespiegeling en beschrijving van de zeden en gewoonten van de Oost-brabanders op het platteland op z’n minst beledigend.

Bouw van het Koningskerkje

De protestantse Gemeente onder leiding van Ds. Stephanus Hanewinkel die 25 juli 1802 benoemd was, besloot in het jaar 1804 met zijn kerkeraad een nieuw kerkgebouw te laten bouwen, dat spoedig te klein bleek te zijn. Na een aantal jaren bleek dat het kerkje slecht gebouwd was en door de armzalige staat waarin het dak zich bevond, kwam de rook van de omliggende huizen naar binnen. Men kon er geen diensten meer houden en dominee Hanewinkel wist nog een manier om aan een nieuwe kerk te komen. Op 26 juni 1809 werd de predikant door de Hervormde Kerkenraad benoemde als vertegenwoordiger om naar de koning te gaan. Op 6 juli kwam hij op audiëntie bij koning Lodewijk Napoleon op het Loo. Dominee Hanewinkel gaf het volgende verslag: ‘De Majesteit zeide: dat wij eene nieuwe kerk mogen bouwen en vraagde tot betaalde reizen: of wij dan wel aan fl. 6.000,- genoeg hadden.

De Predikant zeide dat hij dacht van ja! Doch zo niet, of wij ons dan aan zijne Majesteit mogen wenden. De koning zich hierop buigende zeide: gij moet nu maar schielijk bouwen, waarop de Predikant antwoordde: als wij maar geld hebben’. Hiermee liep de audiëntie af, de Predikant deed op 8 juli verslag aan de Kerkenraad.

Een snelle uitwisseling van brieven met Binnenlandse Zaken en de Landdrost had tot gevolg dat Hanewinkel op 7 november 1809 aan burgemeester en wethouders de volgende drie eisen stelde:

  1. of zij aan wilden geven waar het nieuwe Hervormde Kerkgebouw kon komen te staan.
  2. eenderde van de fondsen en goederen van de Katholieke Kerk.
  3. om aan ons te geven den predikstoel, welke, volgens kwitantie onder ons berustende in 1780 gemaakt is voor de gereformeerde gemeente alhier..

Het gemeentebestuur raakte geïrriteerd over Hanewinkels aantijgingen van onbehoorlijk bestuur. In een kribbige reactie liet zij weten dat zijn stuk met eisen in goede orde was ontvangen. De aanwijzing van een bouwplaats liet op zich wachten. De ongeduldige Kerkeraad gelastte de dominee lidmaat Van den Brugghen te verzoeken een gebouwtje in het centrum van het dorp te verkopen om er een kerk van te maken. Van den Brugghen vroeg echter duizend Hollandse guldens. Dit vond de Kerkenraad teveel. Op 14 juni 1810 vertrok diaken Rink daarop naar Goch om van chirurgijn Maas een huisje met grote tuin aan te kopen voor 1135 Hollandse guldens (of deze chirurgijn Maas familie was van dominee Willem Maas die in 1766 bevestigd is en emeritus ging in 1793 is niet bekend).

In alle haast werd het werk aanbesteed voor f. 2778,- . In protestantse kringen was het traditie dat de oudste zonen van de dominee en van de Kerkenraad de eerste steen legden. Onder grote belangstelling werd op 11 juli 1810 de eerste steen gelegd door Stephanus Johannes Otto Hanewinkel. Op 28 januari 1811 werd het kerkgebouw ingewijd. Van de gevraagde f. 6000,- bleef er uiteindelijk nog maar een kleine f. 4000,- over voor de grond en een kerkje.

Door zuinigheid besloot men de kerk tegen het huisje aan te zetten teneinde een gedeelte van de muur uit te sparen. En om het niet bij die ene fout te laten, plaatste men de kerk niet aan maar op straat, voor uitspringend op alle huizen. De eerste dwaasheid was hinderlijk voor het gehoor, de laatste gaf al binnen korte tijd aanleiding tot verzakking, en ook het huisje kon het kerkdak niet dragen. Daar komt nog bij dat dit verergerde door de onbetrouwbare metaal– en timmerlieden die het kerkje bouwden. Groot was de consternatie toen het kerkdak in 1838 gedeeltelijk instortte. En alweer had de protestantse gemeente geen kerkgebouw, er werd nu uitgeweken naar de zaal van de vergrote pastorie.

De beschadiging van de kerk was dermate groot dat zowel bij de Generale Synode, als bij het klassikaal en provinciaal bestuur een aanvraag voor de bouw van een nieuwe kerk werd ingediend. Toen koning Willem II in 1841 op doortocht Vierlingsbeek aandeed legde dominee van Bronckhorst de kwestie uit. Deze antwoordde: ‘Met leedwezen beken ik U dat ik er niets van weet; hebt gij het op schrift?' De predikant antwoordde hen dat hij het naar de Synode had gestuurd. De koning boog minzaam en sprak: ‘Daar wacht ik op’.

Een commissie van het klassikaal bestuur te Grave bekeek de situatie en kwam met een vernietigend bouwkundig rapport. Er was veel teveel zand tussen de specie gemengd, de kalk was van slechte kwaliteit en het dak was verkeerd geplaatst. De katholieke aannemer en zijn werklieden hadden (bewust) slecht werk geleverd.

Op 8 november 1841 besliste de minister van Staat dat het kerkgebouw voorzichtig afgebroken mocht worden en dat op die plaats een nieuwe kerk mocht worden gebouwd. Zowel koning Willem II als de Algemene Synode van de Nederlandse Hervormde kerk gaven elk f. 3000,- .

De aanbesteding vond niet in Vierlingsbeek plaats, maar in het protestantse Heusden. De protestantse aannemer Van Dullem mocht de kerk bouwen. De eerste steen werd traditiegetrouw door het zoontje van de predikant gelegd op 29 april 1843. Op 8 oktober 1844 werd de kerk ingewijd, volgens dominee van Bronckhorst was dit het zesde bedehuis sinds 1648.

Na de tweede wereldoorlog

Voormalige Laurentiuskerk

Het bleef ruim 100 jaar zijn gangetje gaan totdat tijdens de tweede wereldoorlog door artillerievuur aan de zuidoostkant van het kerkje een stuk uit de muur en dak waren geschoten. Het kerkje kwam er in tegenstelling tot de Rooms-Katholieke Laurentiuskerk goed vanaf. De laurentiuskerk werd totaal verwoest.(Zie foto)

Door de grote oorlogsschade in deze streek heeft de protestantse gemeente van Nieuw Vennep de kerk en de omringende muur opgeknapt. Het leien dak aan de oost- en zuidkant werden in de loop van de jaren ‘60 vervangen. De kosten liepen daarna zo hoog op dat de westzijde niet vervangen kon worden. In de jaren ‘80 zijn door de kerkenraad van Boxmeer en de burgemeester van Vierlingsbeek nog diverse pogingen gedaan om de kerk te laten restaureren. Het haalde allemaal niets uit. Totdat de gemeentelijke herindeling in het zicht kwam. Burgemeester Dittner heeft er voor gestreden dat het kerkje gerestaureerd werd. De protestantse gemeente heeft het kerkje voor fl. 1,- aangeboden aan burgerlijke gemeente van Vierlingsbeek onder voorwaarde dat ze het kerkje restaureerde en er een passende functie voor zochten. Gedurende de herfst van 1997 tot in het voorjaar van 1998 heeft de restauratie plaats gevonden. De gemeente heeft er een bedrag van fl. 430.000 voor uit getrokken. Daarna heeft de gemeente de dorpsraad verzocht om een werkgroep op te richten voor het in stand houden van het kerkje, wat korte tijd later tot de stichting Het Vierlingsbeekse kerkje. Deze naam kon men niet aan het kerkje geven, daarna is de naam Koningskerkje in beeld gekomen, afgeleid van de schenking die koning Willem II aan de protestantse gemeente heeft gedaan, die leidde tot de bouw van het huidige kerkje.

Zie ook: Gebeurtenissen en verhalen die betrekking hebben op de protestantse gemeente

Bronnen:

  • 175 jaar protestantse kerk Boxmeer – H.J. van Cuijk
  • Kerk en Onderwijs – Ger Verhoeven
  • Grenzen verlegd. – St. de Oude Schoenendoos