Gebeurtenissen en verhalen die betrekking hebben op de protestantse gemeente

In 1730 pleegden enige joden een heiligschennende diefstal uit de kerk. De vier daders werden opgepakt: twee lieten het leven op de brandstapel in Boxmeer en de andere twee kwamen in Grave aan de galg.

Doordat het gemeentehuis in de nacht van 19 op 20 mei 1928 afbrandde, zijn veel ‘spannende’ gebeurtenissen niet meer te achterhalen. De verhalen gingen over allerlei schermutselingen, bangmakerijen en deugnietstreken tussen de Beekse protestanten en roomsen.

Zo vertelde één verhaal de ‘story’ van de achterovervallende koster, die viel omdat men het klokkentouw (het hennepzeel) zover had doorgesneden, dat er nog een dunne streng overbleef. Toen de koster drie of vier maal aan het touw had getrokken, kwam het zware meterslange hennepzeel naar beneden boven op de koster. Deze viel daardoor zeer ongelukkig achterover, n.l. op grote, in het torenportaal opgeslagen, houtblokken, waarmee de deuren werden opengehouden. En – zo ging het verhaal – de koster voelde nog geruime tijd daarna pijnen in zijn achterhoofd.

Het tweede verhaal had als clou, dat er op een bepaald moment geen licht was in de kerk, omdat Vierlingsbeekse schelmen de pitten uit de waskaarsen hadden gesneden en in plaats hiervan spijkers hadden ingeslagen.

Een derde verhaal ging over de streken die men de dominee leverde door – overigens met zijn persoonlijke instemming – zijn moestuin regelmatig ‘water’ te geven. Wat de man Gods niet wist, was dat men het sproeiwater zwaar met urine had ‘aangelengd’, waardoor inderdaad de planten als kool groeiden, maar later in de pot en op her bord een speciale geur en bijsmaak hadden.

De gebeurtenis die het beste gedocumenteerd bewaard is gebleven, is nog niet zo oud. Het verhaal verscheen in geuren en kleuren in de jaren ‘30 van de vorige eeuw in de Limburgse Courant onder de titel ‘Een Paapsche Stoutigheid’ en speelde zich af in 1842 tijdens het pastoraat van Wilhelmus Berends. Hierbij waren vele personen betrokken: als hoofdpersonen de uit Boxmeer stammende kapelaan Bernard Rijke, de kapelaan van Bergen (de aanstichters) en dominee Gerard van Bronckhorst (de geërgerde), dan de per brief geïnformeerde: het klassikaal bestuur der Hervormde Kerk in Den Bosch, vervolgens de Minister voor de Zaken van den Hervormden Eerediensten H. van Zuylen van Nijevelt, die op 13 oktober 1842 de Ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken inschakelde. Hierna bracht Justitieminister koning Willem II op de hoogte, die baron De Pelichy als Directeur-generaal gelastte een onderzoek te doen, waarbij bisschop Paradis betrokken werd alsmede Mr. Borret, de Gouverneur van het Provincie Noord-Brabant. Het was uiteindelijk aan het diplomatieke antwoord van de bisschop te danken – zowel door de toon als door de vaderlijke bezorgdheid – dat een en ander op 26 november 1842 met een sisser afliep. Wat gebeurde er eigenlijk?

Nadat in augustus 1842 de roomse kinderen uit Vierlingsbeek en Bergen in Venray door bisschop Paradis waren gevormd, organiseerden de begeleidende kapelaans op de terugreis naar Vierlingsbeek en Bergen een bid- en zangprocessie, die deels op karren en deels te voet naar de kerk trok. Maar aangezien religieuze uitingen zoals deze al sinds 1634 op de openbare weg verboden waren, was men in overtreding. Men werd gewaarschuwd door de burgemeester, die – bezig met piepers te rooien op zijn akker naast de weg – toen de kapelaan van Bergen hem vroeg: ‘Burgemeester het zal immers wel gepermitteerd zijn, dat ik met de processie door uw gemeente trek?', hierop antwoordde: ‘Kapelaan, hiertoe kan ik u geen permissie geven’. Alles werd nog erger toen ‘de Kapelaan van Bergen, hier tegenover aan den anderen oever der Maas in Limburg gelegen, de vrijpostigheid had om zich op de publieke straat bij de heg onzer pastorij met de zijnen aan te kleeden in volle misgewaad, het vaandel te ontrollen, het kruis te verheffen en voorts in volle processie zingende en luid biddende het gansche dorp door te gaan, terwijl de klokken geluid werden’. Volgens kapelaan Rijke ‘zouden wij Roomsen de Hervormden wel eens laten zien wat voor feest dit was’. Maar de predikant was zeer verontwaardigd door zoveel roomse aanmatiging en klom in de pen. Waarna brieven volgden naar de Koning, de Minister, de Kerkvoogden, de bisschop, de gouverneur, enz, enz….

In de jaren dertig wisten de kinderen ook wie ze te pakken konden nemen. Het gebeurde op een door de weekse dag, dat opeens veldwachter van Helden op de lagere school kwam en enkele kinderen van 9-10 jaar mee naar het politiebureau nam. Dit alles gebeurde nadat de kinderen dominee Boeser al enkele malen lastig gevallen hadden met het onderstaande liedje:

Dominee van Takkebos,
wist niet wat hij preken mos
Hij preekte in zijn onderbroek,
een dikke vette oliekoek.

De kinderen kwamen er met een flinke waarschuwing vanaf. Daarna konden ze weer terug naar school.

Zie ook: pastorie naast het Koningskerkje.